Dolle pret op ‘t balkon

din, 09/06/2015 - 20:00

Weet u nog, mensen, verleden jaar het verhaal van die bromvlieg? Wel nu, ik was de laatste repetities op zoek naar die dollenfamilie, want een bromvlieg noemt in de volksmond nen ‘dol’. Ik heb ze niet gehoord of gezien om een eenvoudige reden dat ik zelf niet op de repetitie was. Maar met het concert hoorde ik wat gebrom op ’t balkon. En ja, daar zat Dolf den dol. En hij had zowaar een vriendinnetje bij, een dolle Mina. Hij was dolverliefd; ze zaten poot in poot.

Ik hoorde haar zeggen: “Deje muziek van die planeten, da’s eigenlijk niks veu mij.” “Allee”, zei den Dolf, “Die fanfare heeft wel iets in haar mars.” “Geeft mij mo nen milkiwee, da mak ik liever”, zei dolle Mina. Ze bekeek het programma en zie: “Da van planeet Jupiler, da sta me wel aan en van Mercurie, is da een Chinees stuk?” “Mo allee,” zei den Dolf, “Ten eerste is da nie van dat bier Jupiler, mo van den planeet Jupiter. Ten tweede is da niet Mercurie, mo Mercury, ook nen planeet.”

“Ja”, zei dolle Mina, “Van muziek ken ik ni veel. Tis den eerste keer dat ik no een muziekconcert kom luisteren. Mo no één stuk ben ik wel corjeus. Hie, da vijfde stuk, den ‘Transit of penus’.” Den Dolf schoot in de lach: ”Mo dolfijntje (da is haar troetelnaam), da stuk noemt nie ‘Penus’, maar ‘Venus’, naar de planeet Venus.” “O ja, zijn daar veel heuvels?”, vroeg Mina. “Hoe komde daar nu bij?”, vroeg Dolf, “awel, hedde gij nog nooit gehoord van venusheuvels?” Maar tijdens onze uitvoering was ze door het dolle heen en klapte ze dol (= uitgelaten) met haar vleugels want ze vond het wel mooi.

Echte ‘play backer’

Tijdens de pauze hoorde ik den Dolf zeggen: “Ik seffens eens een fratsken uithalen.” Dolfijntje: “Wa gade gij doen?” “Wel”, zei Dolf, “Ik ga op de muziekpartij zitten van dejen ene bugel die nie no de leste repetitie gewest is. Ik ga op de notenbalk zitten, zodat ik precies een noot ben, allee, een muzieknoot. Als die dan blaast, speelt hij er naast.” “Allee”, reageerde Dolfijntje kwaad, “Da meugde dejen ouwe mens toch ni aandoen. Dejen zal er zo ook wel neffe spelen.” Nadat ik da gehoord had, heb ik na de pauze geen noot meer geblazen, alleen maar gedaan alsof, in ’t Vloms, ‘play backen’. Ge hebt ook andere pleebakken, mo die dienen veu in te pissen.

Nu, na het concert hoorde ik Dolfijntje zeggen: “Zeg Dolf, dat is meegevallen. As we volgend jaar mo kunne komen.” “Waarom,” vroeg hij. “Awel, misschien hemme da tegen wel honderd klein brommertjes of dollekes?” Den Dolf werd een beetje rood en zei: “Dan brengen we die wel mee. En als die dan allemaal op die muziekstukken bij verschillende muziekanten geun zitten da weurd da een dolle kakiefonie. Of we zetten ze op de directiepartij van den dirigent. Dan slaagt die een heel ander stuk dan de muziekanten.”

Toen hadden ze dolle pret. Ik hoorde den Dolf nog vragen: “Drinken we nog nen Jupiter?” “Neeje,” zei Dolfijntje, “We kreupen in ons holleke. Hoe geraken we anders aan die honderd dollekes?”

Snorreke