Bromvlieg geniet van palmenconcert

din, 27/05/2014 - 19:00

Een bromvlieg is een grote, blauwe, brommende vlieg, wier made in vlees leeft.  Wij kennen dat beter als nen dol. U kunt ook dol-blij zijn of dol-driest, maar daar gaat het nu niet over.  Het gaat over een bromvlieg met de naam Dolf. Wel, Dolf de bromvlieg werd den dinsdag voor palmenzondag uit zijn winterslaap gewekt door lawaai in de Lux, want daar had hij zijn holleke.  Toen hij zijn vleugels uitgestrekt had, vloog hij een toerke rond de zaal, wel oplettend dat hij niet te dicht tegen de lusters vloog, want daar huisden ongure grote spinnen in hun web, en die lusten graag bromvliegen.

Nu hij zag dat het lawaai kwam van mensen die een podium aan’t opstellen waren, toen wist hij het weer. Hij kende die lui, dat waren muzikanten van de fanfare: “Aja dat is voor’t palmenzondagconcert”. Dat dacht hij want hij woonde al 20 jaar in de Lux.  En zoals ieder jaar nodigde hij zijn familie uit voor het grote concert.

Op zaterdag zaten ze allen op’t balkon: een paar huisvliegen, wat fruitvliegjes, tantes en nonkels van de bromvlieg, alsook het zwarte, of moet ik zeggen het rosse schaap van de familie : de strontvlieg.  Die laatste hing al goe zat aan een lamp boven den toog.  Er waren ook nog vele muziekvliegjes, maar die zaten nog in de kast van de muziekstukken. Toen ging het licht uit, en het concert begon…

De chef kwam op het podium gevlogen en de ene vlieg zei tegen de andere : “Kijk die kan ook vliegen”.  Met een flinke mars staken ze van wal. Ik bedoel wel de fanfare stak van wal, want den dirigent stond met zijn arme te molenwieken en ik hoorde een vlieg al lachend zeggen : “A geraakt precies nie goe opgestegen !”

Met Lake of the Moon waren ze stil en ontroerd van de mooie muziek. Er kreeg er zelfs één een traan in haar ogen, maar die ontkende dat met een uitvlucht en zei : “Ik heb een vliegske in mijn oog”. De drie delen uit Peer Gynt vonden ze prachtig: “Het hadden er zelfs vier mogen zijn”, dachten ze. De solo van die jonge trompetter vonden ze heel knap.  Met het Swedisch Folksong waren ze stil en ingetogen, toen verschoten ze wanneer Finlandia werd ingezet.  Dat vonden ze machtig.

Tijdens de pauze sloegen ze hun vleugeltjes even uit en dronken een Sint Pieterke, (weliswaar op de rand van een mensenglas) en smulden ze van de kruimeltjes van de gekochte wafels.

Het eerste stuk na de pauze vonden ze wat te lang en er waren al wat vliegen aan’t fikfakken.  Toen hoorde ik Dolf zeggen : “Stopt daarmee of ge vliegt buiten”.  Bij het volgende nummer waren ze weer één en al aandacht, want die jonge kerel met zijn gouden trombone vonden ze toppie. Daarna zagen de mannetjesvliegen (het mannetje van een vlieg noemt men dat soms vliegenier ?) een verschijning, een mooie griet, en die gaf het best op een riet, maar aan dat riet zat wel een saxofoon en dat vonden ze heel schoon. 

Het volgende stuk was “Anthem uit Chess”. Ze vonden het even saai als schaken, maar wisten het wel te waarderen. Toen de muziek van Abba kwam riepen ze “Mamma mia, da’s schone muziek”.  Ze kenden ze allemaal en er waren er zelfs die meezongen.  Toen zei iemand van de familie : “Hou op met brommen, want It’s oh so quiet”.  Toen was alles weer stil, alleen de strontvlieg viel uit den toon en bleef maar door brabbelen, tot plots iemand van achter den toog hem in de gaten kreeg.  Zij nam een gazet en sloeg de strontvlieg morsdood.  Toen was het zeker It’s oh so quiet.

Na dat laatste stuk riepen een paar vliegen : “bis, bis, bis”, nee het was niet voor de strontvlieg, maar voor de fanfare.  Deze kwam met een fris Zweeds muziekje over Champagne op de proppen.  Toen zat de sfeer er in, want ze klapten zelfs mee met hun vleugels.  Helaas zat er ook op’t balkom een vlieg te wenen en de bromvlieg vroeg : “Waarom blijte gij ?”.  “Ja” zei de vlieg “ik zou morgen graag terug komen luisteren, maar dat gaat niet, want ik ben maar een ééndagsvlieg”. 

Nu al bij al was de vliegenfamilie zeer content over het muziekconcert, en beloofden, als ze geen spuitbus gebruiken in de Lux, volgend jaar weer te komen luisteren. Ze gaven vliegensvlug mekaar een hand en ne kus, en weg waren ze.  Alleen den Dolf, de bromvlieg, die kroop terug in zijn holleke, maar deed geen oog dicht omdat een paar muzikanten waren blijven hangen en veel lawaai maakten.  Hij dacht toen half wakker en half slapend: “Ze zouden beter nog ééntje spelen, brom, brom, brom …”

Snorreke