2014 na Christus: eindelijk stoet mee echte engeltjes !

maa, 15/12/2014 - 19:00

God den vader zat op een wolk zen eigen te vervelen. Alle dagen rijstpap eten mee gouwe lepeltjes. Da wordt op den duur ok vervelend en saai. En tussen allemaal engelen zitten, da was ok ni alles, vond hij. “Mijn collega, die was er beter vanaf; die zat tussen zeventig maagden in sprookjes van duizend en één nacht.”
Hij dacht aan Allah, den baas van den islam. Dijen was wa jonger.
Ineens kreeg hij een idee; in plaats van een kroon boven zijn hoofd verscheen er een lampje van Philips, vijf watt. Hij riep zijn zoon Jezus en sprak: “Zoon als we nu eens een carnavalstoet zouden ineen steken hier in den hemel? Ik ben het hoofdbestuur en gij ok.” Jezus fronste zen wenkbrauwen en dapte in zijn haar. Hij was vergeten dat hij nen doornekroon op had en vloekte: “Godverd…” “Ja”, zei God, “Wilt u nog iets zeggen ?” “Ja, va. Ik doe mee als ik prins mag zijn.” “A ja”, zei God, “Ge zijt toch mijne zoon.” “Mo,” zegt Jezus, “Wa komt daar allemaal bij zien in zone stoet ?”
Ik hem vroeger - of was da later - is in huirtuit mee in de stoet gedaan, mee het laatste avondmaal. Toen hem ik dao dansers gezien, mannen die een toneeltje opvoerden, ook mensen die zich hadden verkleed en zo mo rondliepen. Daar zegge ze een losse groep tegen. Er waren ook muzikanten en hier en da nen wagen va
n hout en triplex. “Ja”, zei God, “Ne wagen maken da vragen we uwe stiefvader veu, den Josef. Da was toch nen timmerman.”
 
Jezus zei: “Nen prins hei ok nen nar en nen raad van elf.” God: “Gij had toch nen raad, de twaalf apostelen. Oei, da is er ene te veel. Ge maakt van Judas uwe nar en dan hedde nen raad van elf.” “Da’s goe”, zei Jezus, “Er ware daar ook dansmariekes bij de prins. Dao geuwe wa engeltjes veu bijeen roepen, die hemme toch al pluimkes.” “Mee de stoet hemme ik vanalles nodig om uit te smijten op de prinsenwagen”, zei Jezus. God: “Ik heb nog wa engelenhaar , nog wa snee, ouw hagelbollen en nog veel hosties, want dao komt toch iemand me meej no de kerk.” Jezus veranderde water in wijn en ze klonken op de geuien afloop.
 
PEER STOET
 
Toen kwam Sint-Pieter binnen zonder te kloppen, want in den hemel zen gen deuren. Er is alleen een veurdeur, de hemelpoort. Die vroeg: “Mee wa zijde gelle bezig achter mijne rug?” God zei: “Weu zen van plan om in den hemel nen carnavalstoet te laten rondtrekken.” “Das gen slecht gedacht”, zei den peer. “Ik zal ceremoniem
eester zijn en me lichaam meugde hemme als symbool van de stoet.” En zo is Peer Stoet geboren.
 
En zie, just veu de ramadam – ik bedoel de vasten – trok er in de hemel nen carnavalstoet uit. De prins, Jezus dus, stond op nen wagen. Dejen trok hed op nen Calvarieberg, rondom vele kleine wolkjes. Daar zaten de dansmariekes op. Gevolgd deu ne reus en da was Peer Stoet. Dan was er een dans mee allemaal kwezelkes, die zongen: “Zeg kwezelke wilde gij dansen?” Daarachter liep een koddige groep, de drei koningen. Die waren goe zat want ze dronken Koninck van ’t vat. Nen groep beeldde de hel uit. Satan en lucifer waren goe meurg want ze dronken allebei duvel. Ze sprongen in ’t rond van hop, hop, hop en zo is den duvelhop ontstaan.  Ook was er een parodie op het intrede van Jezus in Jeruzalem. De figuranten dronken allemaal palm. Dan volgde er een schetske van iemand dejen nen
dooie terug tot leven bracht: die was zo zat als lazarus. En de losse groep verkleed as melaatsen, danste da de stukken eraf vlogen. En de groep die verast was, deed veel stof opwaaien. Maar ze konden het maar ene keer doen: hun nummer was gaan vliegen. 
 
De volgende groep waren muzikanten. Die hadden veel noten op hunne zang! Ik herkende een paar muzikanten uit Huirtuit, onder meer de slappe op bombardon, den hotteman op gros kes, de pitjes op trombone, Jul van Bertha op klein kes en Stan van Keulejeune op bugel. En nog een paar, mo die waren zo bleek gesminkt dak ze nie herkende. Veul wagens waren er ni bij. A nee, de Jef moest die helemaal alleen in een steken. Een wagen was een kerk (een gebouw waar vroegen mensen naartoe gingen): nen prachtige wagen waar wa pastoors rond liepen en nen keuster. Mo dijen keuster hield het na één straat veu bezien: “Kus allemaal men eurgel”, en hij ging er eentje pakken in het sacristein.
 
Op ’t einde van de stoet kwam de prinsenwagen. Jezus smeet heel veel uit, sneeuw en hagelbollen. Bijgevolg was het in huirtuit slecht weer mee de stoet. Den hemelse carnavalstoet trok niet veul volk, wa ouw pausen, bisschoppen, pastoors en nonnen. Tussen het volk stond moeder Maria en Maria Magdalena. Ze waren zo fier as ne gieter omda heule familie zo iets in  een gestoken had. Met een knipoogje naar God en Jezus zeiden ze: “Volgend jaar doen we ook mee.” Maria dacht: “Da mijne zoon na de stoet mo ni blijft hangen (graptje).”
 
Snorreke